Juriwel is geen officiƫle bekendmaking in de zin van de Grondwet. Alleen de publicatie in het Belgisch Staatsblad heeft een officieel karakter.

Werken aan Juriwel is nooit af. Ook in de versie die we nu vrijgeven zitten onvolmaaktheden. Als u er een ontdekt, laat het ons weten: juriwel@wvg.vlaanderen.be


 

kwaliteitszorg

 

> overzichtspagina Kwaliteitszorg

Ministerieel besluit van 13 juli 2001 tot uitvoering van het kwaliteitsdecreet voor het maatschappelijk opbouwwerk (B.S. 10.VII.2007, Err. B.S. 16.VII.2007)

De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen

Gelet op het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteit van de welzijnsvoorzieningen;

Gelet op het decreet van 26 juni 1991 betreffende de erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk, inzonderheid op artikel 3;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2001 tot aanwijzing van de sectoren waarvoor de termijn wordt verlengd binnen dewelke de voorwaarden en de procedure voor de erkenning van voorzieningen moeten zijn aangepast in het kader van het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteit van de welzijnsvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 oktober 1999, 14 april 2000, 26 mei 2000, 10 mei 2001, 11 mei 2001 en 18 mei 2001;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven op 19 juni 2001;

Gelet op de resultaten van de sectorale overleggroep waarin de sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk opbouwwerk zijn uitgewerkt;

Overwegende dat de nodige maatregelen moeten getroffen worden om het kwaliteitsdecreet uit te voeren voor het maatschappelijk opbouwwerk,

Besluit :

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit worden verstaan onder

1° Gebruikers : zowel doelgroepen, zijnde de primaire gebruikers, als doelwitgroepen

2° Primaire gebruikers : (verder doelgroepen genoemd) groepen mensen in een toestand van achterstelling, zoals omschreven in het decreet; deze doelgroepen gelden rechtstreeks voor de regionale instituten en instellingen, onrechtstreeks voor het Vlaams instituut; voor het Vlaams instituut zijn de rechtstreekse gebruikers de regionale instituten en instellingen

3° Doelwitgroepen : andere gebruikers, zoals (lokale) overheden, voorzieningen, instellingen die (mee) moeten zorgen voor de oplossing van de problemen waarmee de doelgroepen te maken hebben, door o.a. het treffen van maatregelen en het aanpassen van beleid

Art. 2.

De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk opbouwwerk met betrekking tot gebruikersgerichtheid zijn :

1° De regionale instituten en instellingen verantwoorden de keuze van doelgroepen in het kader van de wettelijke bepalingen en concretiseren deze keuze op het niveau van projecten.

2° Het Vlaams instituut organiseert de uitwisseling tussen de regionale instituten over de doelgroepen.

3° De voorzieningen verantwoorden elke eventuele uitsluiting van groepen en individuen, waarbij deze niet kan gebeuren wegens politieke, filosofische en godsdienstige overtuiging, voor zover deze overtuiging de principes van het maatschappelijk opbouwwerk en de democratische spelregels eerbiedigt.

4° De regionale instituten en instellingen nemen maatregelen om de toegankelijkheid voor de leden van de beoogde doelgroepen te realiseren op projectniveau.

5° De voorzieningen zorgen voor kanalen voor rechtstreekse aanspreekbaarheid door de primaire gebruikers : voor de regionale instituten en instellingen zijn dat de leden van de doelgroepen, voor het Vlaams instituut zijn dat de regionale instituten en instellingen.

6° De regionale instituten en instellingen zetten projecten op waarbij rechtstreeks met de doelgroep wordt gewerkt in het kader van een agogisch proces; in het bijzonder is dit van toepassing voor de opbouwwerkers tijdens de projectuitvoering

7° De regionale instituten en instellingen informeren de doelgroepen over de organisatie, doeleinden en werkwijzen op projectniveau.

8° De voorzieningen stimuleren en motiveren hun primaire gebruikers op een actieve wijze tot deelname aan hun werking : voor de regionale instituten en instellingen betreft het deelname van de leden van de doelgroepen aan projecten, voor het Vlaams instituut betreft het deelname van regionale instituten en instellingen aan zijn werking.

9° De voorzieningen treffen schikkingen voor de participatie van hun primaire gebruikers : voor de regionale instituten en instellingen zijn dat leden van de doelgroepen aan de uitwerking en de uitvoering van projecten, voor het Vlaams instituut betreft het de regionale instituten en instellingen.

10° De voorzieningen bewaken dat bij samenwerkingsafspraken de eigenheid van het opbouwwerk gegarandeerd wordt, in het bijzonder de participatie van en de voorzieningen hanteren een procedure waarin meegedeeld wordt hoe en waar klachten kunnen ingediend worden, en hoe ze zullen behandeld worden.

Art. 3.

De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk opbouwwerk met betrekking tot maatschappelijke aanvaardbaarheid zijn :

1° De voorzieningen gebruiken als uitgangspunt en toetssteen voor werking en betwistingen de grondrechten zoals vervat in de grondwet en het Europees verdrag voor de rechten van de mens.

2° De voorzieningen lichten periodiek hun werkgebied door op situaties van maatschappelijke achterstelling, en de vaststellingen worden ofwel opgenomen in het meerjarenplan, ofwel doorverwezen naar of gesignaleerd aan doelwitgroepen.

3° De voorzieningen leveren inspanningen om hun maatschappelijk draagvlak te verbreden en hun open karakter te waarborgen.

4° De voorzieningen voeren een actief communicatiebeleid over de eigen maatschappelijke bijdrage naar de publieke opinie, de partners en de doelwitgroepen; voor het Vlaams instituut gebeurt dit bijkomend naar internationale partners werkzaam op het terrein van maatschappelijk opbouwwerk en samenlevingsopbouw.

Art. 4.

De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk opbouwwerk met betrekking tot doelmatigheid en doeltreffendheid zijn :

1° De voorzieningen stellen periodiek een meerjarenplan op, met voor de regionale instituten en instellingen bijbehorende programma's.

2° De voorzieningen formuleren in hun meerjarenplan met in voorkomend geval de bijbehorende programma's de beoogde doelstellingen en resultaten; de regionale instituten en instellingen werken die uit in concrete werkdoelen in hun projecten. Deze werkdoelen zijn tegelijk gericht op de participatie van doelgroepen en op bijdragen aan de oplossing van maatschappelijke problemen.

3° De voorzieningen houden bij de opmaak van hun meerjarenplan actief rekening met de signalen vanuit hun primaire gebruikers. Voor regionale instituten en instellingen zijn dit de doelgroepen, voor het Vlaams instituut de regionale instituten en instellingen.

4° De voorzieningen toetsen hun keuzen omtrent doelgroepen, problematieken en territoriums aan deskundigen, bevoorrechte getuigen en doelwitgroepen.

5° Binnen de voorzieningen worden de prioritaire keuzen van het meerjarenplan gedragen door de verschillende geledingen van de voorziening.

6° De voorzieningen evalueren periodiek de uitvoering van hun meerjarenplan, met voor de regionale instituten en instellingen ook zowel de programma's als de projecten, aan de hand van de doelstellingen en de prioriteiten.

7° De voorzieningen gaan periodiek na hoe hun respectieve gebruikers de bekomen resultaten waarderen. Voor de regionale instituten en instellingen zijn dat de feitelijke doelgroepen van de projecten, voor het Vlaams instituut de participanten van de regionale instituten en instellingen aan de initiatieven.

8° De voorzieningen zorgen ervoor dat de bevindingen, oplossingen en aanbevelingen vanuit de programma's actief vertaald worden naar en aangebracht worden bij de doelwitgroepen.

9° De voorzieningen voeren een verantwoord financieel beleid, en beschikken over een kader voor de inzet van personele en materiële middelen, gekoppeld aan de programma's; dit wordt minstens jaarlijks getoetst.

10° De voorzieningen ontwikkelen een beleid inzake vorming en ondersteuning van de personeelsleden, en passen dit toe.

11° De voorzieningen ontwikkelen een beleid inzake aanwerving, functiebeschrijving, opvolging en evaluatie van het functioneren van de personeelsleden, en passen dit toe.

12° De voorzieningen zorgen in voorkomend geval voor de omkadering en begeleiding van hun externe medewerkers (vrijwilligers, stagiairs...).

13° De voorzieningen omschrijven hun organisatiestructuur, met taken en bevoegdheden, met beleids- en werkstructuren.

14° De voorzieningen organiseren een periodieke toetsing en doorlichting van het functioneren van en de arbeidsverhoudingen binnen de organisatie, en waar nodig worden bijsturingen doorgevoerd.

15° De voorzieningen organiseren informatie-uitwisseling omtrent plannen, werking en resultaten binnen elke voorziening, tussen de opbouwwerkorganisaties en met relevante partners.

16° De regionale instituten met instellingen in hun werkgebied definiëren samen met deze instellingen een kader voor de uitvoering van hun opdrachten en onderlinge relaties.

17° Het Vlaams instituut levert in samenspraak met de regionale instituten en instellingen zichtbare inspanningen voor de positiebepaling, bekendmaking en belangenbehartiging van de sector, en voor de communicatie van boodschappen op dit vlak naar het beleid, de relevante actoren en de publieke opinie.

18° Het Vlaams instituut geeft een doeltreffend antwoord op de behoeften van zijn gebruikers inzake inhoudelijke, methodische en organisatorische deskundigheidsbevordering, methodiekontwikkeling en ondersteuning.

19° Het Vlaams instituut schept kanalen voor het bundelen van definities en visies omtrent maatschappelijke problemen en voor het bewerkstelligen van oplossingen vanuit zijn gebruikers.

Art. 5.

De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk opbouwwerk met betrekking tot continuïteit zijn :

1° De voorzieningen omschrijven voor de duur van hun meerjarenplan de prioritaire keuzen en koppelen daaraan de vooropgestelde inzet van hun personeel op langere termijn. In geval van bijsturingen van de personeelsinzet worden de gevolgen voor de (leden van de) doelgroepen zo goed mogelijk opgevangen.

2° De voorzieningen introduceren vervangers en nieuwe personeelsleden in de voorziening en bij de doelgroep en doelwitgroepen met zorg en omkadering.

3° De regionale instituten en instellingen doen bij de projectuitvoering de nodige inspanningen voor de verzelfstandiging en/of overdracht van projecten en projectresultaten.

Art. 6.

Het kwaliteitshandboek bevat minimaal het volgende :

§ 1. In de inleiding :

1° de structuur van het kwaliteitshandboek

2° een voorstelling van de organisatie

3° de verantwoordelijke die met de uitvoering van het kwaliteitsbeleid belast is

4° een verklaring die toelating geeft tot de gemachtigden van de Vlaamse Regering om ter plaatse alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om de uitvoering van de bepalingen van het decreet te verifiëren en te evalueren

§ 2. Betreffende het kwaliteitsbeleid :

1° de opdracht, doelgroepen en doelstellingen

2° het referentiekader

3° de sectorspecifieke minimale kwaliteitseisen

§ 3. Betreffende het kwaliteitssysteem :

1° een uitwerking van de conditionele elementen, zoals die opgenomen zijn in de sectorale minimale kwaliteitseisen

2° een uitwerking van de operationele elementen, zoals die opgenomen zijn in de sectorale minimale kwaliteitseisen

3° de garantie-elementen, met name het onderhoud van het kwaliteitssysteem

Art. 7.

In het kader van de kwaliteitsplanning omschrijft de organisatie voor elke activiteit :

1° de situering ervan in het kwaliteitsbeleid van de organisatie

2° aandachtsgebied en doelgroep van het project

3° probleembeschrijving en/of doelstelling

4° stappenplan

5° deelnemers

6° tijdpad

7° ingezette middelen

8° implementatie van de bevindingen

9° evaluatie van de resultaten

10° rapportering en bekrachtiging

Art. 8.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.


© Juriwel - 2007 - Samenlevingsopbouw - Kwaliteitszorg

 
kwaliteitszorg\rg\mb130701.htm