> overzichtspagina Kwaliteitszorg
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke
Kansen
Gelet op het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteit van
de welzijnsvoorzieningen;
Gelet op het decreet van 26 juni 1991 betreffende de erkenning
en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000
tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende
erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk
opbouwwerk, inzonderheid op artikel 3;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2001
tot aanwijzing van de sectoren waarvoor de termijn wordt
verlengd binnen dewelke de voorwaarden en de procedure voor de
erkenning van voorzieningen moeten zijn aangepast in het kader
van het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteit van de
welzijnsvoorzieningen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1999
tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse
Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering
van 15 oktober 1999, 14 april 2000, 26 mei 2000, 10 mei 2001,
11 mei 2001 en 18 mei 2001;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven
op 19 juni 2001;
Gelet op de resultaten van de sectorale overleggroep waarin de
sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk
opbouwwerk zijn uitgewerkt;
Overwegende dat de nodige maatregelen moeten getroffen worden
om het kwaliteitsdecreet uit te voeren voor het maatschappelijk
opbouwwerk,
Besluit :
Artikel 1.
Voor de toepassing van dit besluit worden verstaan onder
1° Gebruikers : zowel doelgroepen, zijnde de primaire
gebruikers, als doelwitgroepen
2° Primaire gebruikers : (verder doelgroepen genoemd)
groepen mensen in een toestand van achterstelling, zoals
omschreven in het decreet; deze doelgroepen gelden rechtstreeks
voor de regionale instituten en instellingen, onrechtstreeks
voor het Vlaams instituut; voor het Vlaams instituut zijn de
rechtstreekse gebruikers de regionale instituten en
instellingen
3° Doelwitgroepen : andere gebruikers, zoals (lokale)
overheden, voorzieningen, instellingen die (mee) moeten zorgen
voor de oplossing van de problemen waarmee de doelgroepen te
maken hebben, door o.a. het treffen van maatregelen en het
aanpassen van beleid
Art. 2.
De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk
opbouwwerk met betrekking tot gebruikersgerichtheid zijn
:
1° De regionale instituten en instellingen verantwoorden de
keuze van doelgroepen in het kader van de wettelijke bepalingen
en concretiseren deze keuze op het niveau van projecten.
2° Het Vlaams instituut organiseert de uitwisseling tussen
de regionale instituten over de doelgroepen.
3° De voorzieningen verantwoorden elke eventuele
uitsluiting van groepen en individuen, waarbij deze niet kan
gebeuren wegens politieke, filosofische en godsdienstige
overtuiging, voor zover deze overtuiging de principes van het
maatschappelijk opbouwwerk en de democratische spelregels
eerbiedigt.
4° De regionale instituten en instellingen nemen
maatregelen om de toegankelijkheid voor de leden van de beoogde
doelgroepen te realiseren op projectniveau.
5° De voorzieningen zorgen voor kanalen voor rechtstreekse
aanspreekbaarheid door de primaire gebruikers : voor de
regionale instituten en instellingen zijn dat de leden van de
doelgroepen, voor het Vlaams instituut zijn dat de regionale
instituten en instellingen.
6° De regionale instituten en instellingen zetten projecten
op waarbij rechtstreeks met de doelgroep wordt gewerkt in het
kader van een agogisch proces; in het bijzonder is dit van
toepassing voor de opbouwwerkers tijdens de
projectuitvoering
7° De regionale instituten en instellingen informeren de
doelgroepen over de organisatie, doeleinden en werkwijzen op
projectniveau.
8° De voorzieningen stimuleren en motiveren hun primaire
gebruikers op een actieve wijze tot deelname aan hun werking :
voor de regionale instituten en instellingen betreft het
deelname van de leden van de doelgroepen aan projecten, voor
het Vlaams instituut betreft het deelname van regionale
instituten en instellingen aan zijn werking.
9° De voorzieningen treffen schikkingen voor de
participatie van hun primaire gebruikers : voor de regionale
instituten en instellingen zijn dat leden van de doelgroepen
aan de uitwerking en de uitvoering van projecten, voor het
Vlaams instituut betreft het de regionale instituten en
instellingen.
10° De voorzieningen bewaken dat bij samenwerkingsafspraken
de eigenheid van het opbouwwerk gegarandeerd wordt, in het
bijzonder de participatie van en de voorzieningen hanteren een
procedure waarin meegedeeld wordt hoe en waar klachten kunnen
ingediend worden, en hoe ze zullen behandeld worden.
Art. 3.
De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk
opbouwwerk met betrekking tot maatschappelijke aanvaardbaarheid
zijn :
1° De voorzieningen gebruiken als uitgangspunt en
toetssteen voor werking en betwistingen de grondrechten zoals
vervat in de grondwet en het Europees verdrag voor de rechten
van de mens.
2° De voorzieningen lichten periodiek hun werkgebied door
op situaties van maatschappelijke achterstelling, en de
vaststellingen worden ofwel opgenomen in het meerjarenplan,
ofwel doorverwezen naar of gesignaleerd aan
doelwitgroepen.
3° De voorzieningen leveren inspanningen om hun
maatschappelijk draagvlak te verbreden en hun open karakter te
waarborgen.
4° De voorzieningen voeren een actief communicatiebeleid
over de eigen maatschappelijke bijdrage naar de publieke
opinie, de partners en de doelwitgroepen; voor het Vlaams
instituut gebeurt dit bijkomend naar internationale partners
werkzaam op het terrein van maatschappelijk opbouwwerk en
samenlevingsopbouw.
Art. 4.
De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk
opbouwwerk met betrekking tot doelmatigheid en doeltreffendheid
zijn :
1° De voorzieningen stellen periodiek een meerjarenplan op,
met voor de regionale instituten en instellingen bijbehorende
programma's.
2° De voorzieningen formuleren in hun meerjarenplan met in
voorkomend geval de bijbehorende programma's de beoogde
doelstellingen en resultaten; de regionale instituten en
instellingen werken die uit in concrete werkdoelen in hun
projecten. Deze werkdoelen zijn tegelijk gericht op de
participatie van doelgroepen en op bijdragen aan de oplossing
van maatschappelijke problemen.
3° De voorzieningen houden bij de opmaak van hun
meerjarenplan actief rekening met de signalen vanuit hun
primaire gebruikers. Voor regionale instituten en instellingen
zijn dit de doelgroepen, voor het Vlaams instituut de regionale
instituten en instellingen.
4° De voorzieningen toetsen hun keuzen omtrent doelgroepen,
problematieken en territoriums aan deskundigen, bevoorrechte
getuigen en doelwitgroepen.
5° Binnen de voorzieningen worden de prioritaire keuzen van
het meerjarenplan gedragen door de verschillende geledingen van
de voorziening.
6° De voorzieningen evalueren periodiek de uitvoering van
hun meerjarenplan, met voor de regionale instituten en
instellingen ook zowel de programma's als de projecten, aan de
hand van de doelstellingen en de prioriteiten.
7° De voorzieningen gaan periodiek na hoe hun respectieve
gebruikers de bekomen resultaten waarderen. Voor de regionale
instituten en instellingen zijn dat de feitelijke doelgroepen
van de projecten, voor het Vlaams instituut de participanten
van de regionale instituten en instellingen aan de
initiatieven.
8° De voorzieningen zorgen ervoor dat de bevindingen,
oplossingen en aanbevelingen vanuit de programma's actief
vertaald worden naar en aangebracht worden bij de
doelwitgroepen.
9° De voorzieningen voeren een verantwoord financieel
beleid, en beschikken over een kader voor de inzet van
personele en materiële middelen, gekoppeld aan de
programma's; dit wordt minstens jaarlijks getoetst.
10° De voorzieningen ontwikkelen een beleid inzake vorming
en ondersteuning van de personeelsleden, en passen dit
toe.
11° De voorzieningen ontwikkelen een beleid inzake
aanwerving, functiebeschrijving, opvolging en evaluatie van het
functioneren van de personeelsleden, en passen dit toe.
12° De voorzieningen zorgen in voorkomend geval voor de
omkadering en begeleiding van hun externe medewerkers
(vrijwilligers, stagiairs...).
13° De voorzieningen omschrijven hun organisatiestructuur,
met taken en bevoegdheden, met beleids- en
werkstructuren.
14° De voorzieningen organiseren een periodieke toetsing en
doorlichting van het functioneren van en de arbeidsverhoudingen
binnen de organisatie, en waar nodig worden bijsturingen
doorgevoerd.
15° De voorzieningen organiseren informatie-uitwisseling
omtrent plannen, werking en resultaten binnen elke voorziening,
tussen de opbouwwerkorganisaties en met relevante
partners.
16° De regionale instituten met instellingen in hun
werkgebied definiëren samen met deze instellingen een
kader voor de uitvoering van hun opdrachten en onderlinge
relaties.
17° Het Vlaams instituut levert in samenspraak met de
regionale instituten en instellingen zichtbare inspanningen
voor de positiebepaling, bekendmaking en belangenbehartiging
van de sector, en voor de communicatie van boodschappen op dit
vlak naar het beleid, de relevante actoren en de publieke
opinie.
18° Het Vlaams instituut geeft een doeltreffend antwoord op
de behoeften van zijn gebruikers inzake inhoudelijke,
methodische en organisatorische deskundigheidsbevordering,
methodiekontwikkeling en ondersteuning.
19° Het Vlaams instituut schept kanalen voor het bundelen
van definities en visies omtrent maatschappelijke problemen en
voor het bewerkstelligen van oplossingen vanuit zijn
gebruikers.
Art. 5.
De sectorale minimale kwaliteitseisen voor het maatschappelijk
opbouwwerk met betrekking tot continuïteit zijn :
1° De voorzieningen omschrijven voor de duur van hun
meerjarenplan de prioritaire keuzen en koppelen daaraan de
vooropgestelde inzet van hun personeel op langere termijn. In
geval van bijsturingen van de personeelsinzet worden de
gevolgen voor de (leden van de) doelgroepen zo goed mogelijk
opgevangen.
2° De voorzieningen introduceren vervangers en nieuwe
personeelsleden in de voorziening en bij de doelgroep en
doelwitgroepen met zorg en omkadering.
3° De regionale instituten en instellingen doen bij de
projectuitvoering de nodige inspanningen voor de
verzelfstandiging en/of overdracht van projecten en
projectresultaten.
Art. 6.
Het kwaliteitshandboek bevat minimaal het volgende :
§ 1. In de inleiding :
1° de structuur van het kwaliteitshandboek
2° een voorstelling van de organisatie
3° de verantwoordelijke die met de uitvoering van het
kwaliteitsbeleid belast is
4° een verklaring die toelating geeft tot de gemachtigden
van de Vlaamse Regering om ter plaatse alle activiteiten te
verrichten die nodig zijn om de uitvoering van de bepalingen
van het decreet te verifiëren en te evalueren
§ 2. Betreffende het kwaliteitsbeleid :
1° de opdracht, doelgroepen en doelstellingen
2° het referentiekader
3° de sectorspecifieke minimale kwaliteitseisen
§ 3. Betreffende het kwaliteitssysteem :
1° een uitwerking van de conditionele elementen, zoals die
opgenomen zijn in de sectorale minimale kwaliteitseisen
2° een uitwerking van de operationele elementen, zoals die
opgenomen zijn in de sectorale minimale kwaliteitseisen
3° de garantie-elementen, met name het onderhoud van het
kwaliteitssysteem
Art. 7.
In het kader van de kwaliteitsplanning omschrijft de
organisatie voor elke activiteit :
1° de situering ervan in het kwaliteitsbeleid van de
organisatie
2° aandachtsgebied en doelgroep van het project
3° probleembeschrijving en/of doelstelling
4° stappenplan
5° deelnemers
6° tijdpad
7° ingezette middelen
8° implementatie van de bevindingen
9° evaluatie van de resultaten
10° rapportering en bekrachtiging
Art. 8.
Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.