Juriwel is geen officiële bekendmaking in de zin van de Grondwet. Alleen de publicatie in het Belgisch Staatsblad heeft een officieel karakter.

Werken aan Juriwel is nooit af. Ook in de versie die we nu vrijgeven zitten onvolmaaktheden. Als u er een ontdekt, laat het ons weten: juriwel@wvg.vlaanderen.be


 

samenlevingsopbouw

 

Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk (B.S. 11.I.2001)1

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

HOOFDSTUK II. - De erkenning

HOOFDSTUK III. - De subsidiëring

HOOFDSTUK IV. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° decreet: het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk;

[2° kwaliteitsdecreet: het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen]2;

3° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;

[4° administratie: het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin of het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin]3 ;

5° meerjarenplan: het document waarin de verschillende activiteiten ter uitvoering van de opdrachten als een geïntegreerd geheel worden voorgesteld; voor de regionale instituten en instellingen zijn dit in het bijzonder de programma's. [Het meerjarenplan wordt voor 5 jaar opgemaakt]4;

6° programma: een geheel van projecten en andere activiteiten toegespitst op een bepaalde problematiek, met aanduiding van de doelgroepen en de werkgebieden;

7° jaarplan: de concretisering van het meerjarenplan voor het betreffende werkjaar in uitgewerkte doelstellingen, projecten en andere activiteiten;

8° project: een planmatig opgezet en samenhangend geheel van activiteiten ter oplossing van een concreet maatschappelijk probleem met omschrijving van problematiek, doelgroep, territorium en concrete doelstellingen dat afgebakend is in tijd, en opgezet en uitgevoerd wordt met betrokkenheid van de doelgroep. De projecten vormen de bouwstenen van de verschillende programma's zoals zij in het meerjarenplan zijn geëxpliciteerd en worden jaarlijks gedefinieerd in functie van het programma;

9° adviserende beroepscommissie: de adviserende beroepscommissie opgericht bij artikel 13 van het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden;

10° wijziging van erkenning: hetzij de erkenning voor een gewijzigde subsidiabele personeelsformatie, hetzij de erkenning voor een gewijzigd territorium waarop een instelling actief is.

[11° de secretaris-generaal: het personeelslid dat belast is met de leiding van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin]5 ;

Art. 2.

§ 1. Aan erkende organisaties kunnen in uitvoering van artikel 4 van het decreet voor de uitvoering van hun opdrachten subsidies worden toegekend volgens de regels en overeenkomstig de bepalingen opgenomen in dit besluit.

§ 2. Voor de erkenning en subsidiëring worden in uitvoering van artikel 2 van het decreet als grootstedelijk gebied beschouwd:

1° het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

2° het grondgebied van de stad Antwerpen;

3° het grondgebied van de stad Gent.

HOOFDSTUK II. - De erkenning

Art. 3.

Om erkend te worden [en te blijven]6moeten de organisaties voldoen aan de voorwaarden opgenomen in artikel 3,§3, van het decreet en daarenboven:

1° geleid worden door een bestuurslichaam dat uit ten minste negen personen bestaat; niet meer dan 2/3 van de leden van dit bestuurslichaam en van de algemene vergadering mogen van hetzelfde geslacht zijn;

2° controle van de administratie aanvaarden;

3° beschikken over een goedgekeurd meerjarenplan en dit uitvoeren;

4° zich ertoe verbinden de bepalingen van dit besluit na te leven;

5° voldoen aan de bepalingen van het kwaliteitsdecreet.

Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de minister de minimale kwaliteitseisen en de minimale eisen waaraan het kwaliteitshandboek, het kwaliteitssysteem en de kwaliteitsplanning moeten voldoen.

Art. 4.

De organisaties voor maatschappelijk opbouwwerk voeren volgende opdrachten uit:

1° het Vlaams instituut ter bevordering en ondersteuning van het maatschappelijk opbouwwerk:

a) organiseren en coördineren van overleg met en tussen de regionale instituten voor maatschappelijk opbouwwerk en het ondersteunen van hun besturen;

b) inhoudelijk methodisch en organisatorisch ondersteunen van het maatschappelijk opbouwwerk via onderzoek, studie en begeleiding;

c) bijscholen en vormen van beroepskrachten, bestuursleden en vrijwilligers;

d) aanleggen van documentatie en verzorgen van publicaties;

e) beleidsvoorbereidend onderzoek en studie uitvoeren;

f) in overleg treden met de Vlaamse Regering, beleidsverantwoordelijken en andere organisaties;

g) internationale betrekkingen behartigen in het kader van het maatschappelijk opbouwwerk.

2° de regionale instituten voor maatschappelijk opbouwwerk:

a) in overleg met de voor de uitvoering van de opdrachten relevante organisaties en instanties wordt een meerjarenplan opgesteld;

b) in overleg met andere betrokken besturen en instellingen het beleid inzake maatschappelijk opbouwwerk bevorderen;

c) opbouwwerkprojecten voorbereiden en uitvoeren;

d) projecten coördineren;

e) gemotiveerd advies uitbrengen over alle jaarplannen, die vanuit hun werkingsgebied ingediend worden;

f) consolidatie van de bereikte projectresultaten:

g) opbouwwerkprojecten inhoudelijk ondersteunen:

h) opbouwwerkers methodisch begeleiden;

3° de instellingen:

a) samenwerken met het regionaal instituut voor maatschappelijk opbouwwerk dat voor betreffend werkgebied verantwoordelijk is, in het bijzonder bij het opstellen van het meerjarenplan en de programma's;

b) voorbereiden en uitvoeringen van opbouwwerkprojecten;

c) consolideren en uitdragen van de bereikte projectresultaten.

Art. 5.

Een erkenning kan enkel worden verleend:

1° indien daartoe een ontvankelijke aanvraag wordt ingediend;

2° met inachtname van de erkenningsvoorwaarden die vervat liggen in het decreet en in de artikelen 3 en 4 van dit besluit;

3° voorzover er begrotingskredieten beschikbaar zijn.

Art. 6.

§ 1. Een aanvraag voor een erkenning is enkel ontvankelijk indien ze door de organisatie met een aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt ingediend bij de administratie en indien zij de volgende gegevens en stukken bevat:

1° een exemplaar van de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad met de statuten en de samenstelling van de raad van bestuur;

2° de bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg ingediende ledenlijst;

3° in voorkomend geval het huishoudelijk reglement;

4° een dossier waaruit blijkt dat het instituut of de instelling tijdens het voorbije jaar een werking heeft ontplooid overeenkomstig de bepalingen van het decreet;

5° het meerjarenplan, met een overzicht van de gevolgde procedure en een verslag van het overleg met gecontacteerde maatschappelijke verbanden;

6° de personeelsformatie die nodig geacht wordt om de voorgestelde werking uit te voeren, met de verbintenis, voor zover bij de erkenning goedgekeurd, dit personeel ook werkelijk aan te werven;

7° de interne organisatiestructuur;

8° een overzicht van de externe samenwerkingsverbanden;

9° een overzicht van de wijze waarop de implementatie van het kwaliteitsdecreet is voorbereid, met de stand van zaken en de verdere planning van deze implementatie.

§ 2. Het meerjarenplan voor de instellingen is een specifiek onderdeel van het meerjarenplan van het regionaal instituut voor maatschappelijk opbouwwerk.

De instellingen stellen een voorstel van specifiek meerjarenplan op dat na overleg met het regionaal instituut voor maatschappelijk opbouwwerk in functie van de globale meerjarenplanning wordt bijgestuurd en dat door voormeld regionaal instituut in zijn meerjarenplan wordt geïntegreerd.

In geval er na overleg geen overeenstemming kan bereikt worden tussen het regionaal instituut voor maatschappelijk opbouwwerk en de betrokken instelling zal het regionaal instituut het specifieke meerjarenplan met zijn suggesties van bijsturing als afzonderlijke bijlage bij het overkoepelende meerjarenplan voegen. Op voorstel van de administratie beslist de minister over de wijze waarop de integratie van het specifieke meerjarenplan kan worden bereikt.

Art. 7.

§ 1. Indien de aanvraag niet ontvankelijk is of indien daarvoor geen begrotingskredieten meer beschikbaar zijn, wordt de aanvraag uiterlijk dertig dagen na ontvangst door de administratie aan de aanvragende organisatie teruggezonden met vermelding van de reden van het niet in behandeling nemen van de aanvraag.

In het andere geval wordt het met redenen omklede voornemen van [de secretaris-generaal]7 om de erkenning of de wijziging van de erkenning te verlenen of te weigeren, uiterlijk drie maanden na ontvangst van de aanvraag aan de aanvragende organisatie betekend. De betekening gebeurt door de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheden en de voorwaarden worden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen als bedoeld in artikel 8, eerste lid.

Indien het voornemen niet binnen de in het vorige lid genoemde termijn aan de aanvragende organisatie wordt betekend, wordt het voornemen geacht gunstig te zijn.

§ 2. Voor de organisaties voor maatschappelijk opbouwwerk werkzaam in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, wordt het voornemen om de erkenning te verlenen of te weigeren, geformuleerd door het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Art. 8.

De organisatie kan tegen het voornemen, bedoeld in artikel 7, met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Om ontvankelijk te zijn moet dit gebeuren tot uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het voornemen. De organisatie kan daarin uitdrukkelijk vragen om gehoord te worden.

Dit bezwaar wordt behandeld volgens de procedure, bepaald bij en krachtens hoofdstuk III van het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden.

Art. 9.

§ 1. Indien de organisatie overeenkomstig artikel 8, eerste lid, een bezwaarschrift heeft ingediend, bezorgt de administratie dit, samen met het volledige administratieve dossier en de eventuele verweermiddelen, binnen vijftien dagen na ontvangst aan de adviserende beroepscommissie. [De secretaris-generaal]8kan in dat geval alleen een definitieve beslissing over het verlenen of het weigeren van de erkenning nemen [indien het advies van de beroepscommissie gelijkluidend is aan het met redenen omklede voornemen]9.

[Indien het advies van de commissie echter afwijkt van het voornemen, bedoeld in artikel 7, of indien er geen advies verleend werd na het verstrijken van de termijn voor advies, wordt de definitieve beslissing genomen door de minister. De secretaris-generaal bezorgt in dat geval het bezwaarschrift samen met het volledige administratief dossier en, in voorkomend geval, het advies van de beroepscommissie aan de Vlaamse minister.

De Vlaamse minister dient de organisatie vooraf te horen, als deze in haar bezwaarschrift daarom heeft verzocht]10.

De met redenen omklede beslissing van de minister [of de secretaris-generaal]11 wordt binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van de adviserende beroepscommissie of na het verstrijken van de termijn voor advies, door de administratie aan de organisatie betekend met een aangetekende brief.

§ 2. Indien de organisatie geen bezwaarschrift heeft ingediend overeenkomstig artikel 8, eerste lid, wordt de definitieve beslissing van [de secretaris-generaal]12omtrent het verlenen of het weigeren van de erkenning binnen dertig dagen na het verstrijken van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde termijn door de administratie aan de organisatie betekend met een aangetekende brief.

In het geval bedoeld in artikel 7, § 1, laatste lid, wordt de definitieve beslissing tot erkenning van de secretaris-generaal betekend binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 7, § 1, laatste lid.

§ 3. De definitieve beslissing tot erkenning omvat:

1. de goedkeuring van het meerjarenplan en voor de regionale instituten en instellingen de programma's, in hun geheel of van gedeelten;

2. de aard van de erkenning;

3. het territorium;

4. de subsidiabele personeelsformatie met aanduiding van de subsidiabele salarisschalen.

§ 4. Indien de definitieve beslissing van de minister [of de secretaris-generaal]13 niet aan de organisatie wordt betekend binnen de termijnen bedoeld in § 1, […]14, en § 2, wordt de erkenning geacht te zijn verleend.

§ 5. De erkenning wordt door de minister [of de secretaris-generaal]15 verleend voor een onbepaalde duur op basis van het eerste erkenningsdossier.

Art. 10.

§ 1. De artikelen 5 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing op de door een organisatie ingediende aanvraag tot wijziging van erkenning.

§ 2. Indien de erkenning of de wijziging van erkenning door de minister [of de secretaris-generaal]16 werd geweigerd, kan de organisatie geen nieuwe gelijksoortige aanvraag indienen, tenzij ze aantoont dat de reden voor de weigering in haren hoofde niet langer bestaat.

Art. 11.

De in artikel 9, § 3, 4°, bedoelde subsidiabele personeelsformatie kan volgende functies omvatten:

1° voor het Vlaams instituut ter bevordering en ondersteuning van het maatschappelijk opbouwwerk : 1 coördinator, 1 of meer administratieve krachten, 1 of meer educatieve stafleden, ondersteunende personeelsleden waarvan de opdrachten […]17 door de minister worden bepaald;

2° voor de regionale instituten voor maatschappelijk opbouwwerk : 1 coördinator, 1 of meer administratieve krachten, 1 of meer educatieve stafleden, opbouwwerkers belast met de uitvoering van de concrete projecten, ondersteunende personeelsleden waarvan de opdrachten [...] door de minister worden bepaald;

3° voor de instellingen: opbouwwerkers belast met de uitvoering van de concrete projecten.

Art. 12.

Uiterlijk zes maanden voor het aflopen van het meerjarenplan wordt een nieuw meerjarenplan ingediend, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6. Voor de goedkeuring hiervan zijn de artikelen 7 tot en met 9 op overeenkomstige wijze van toepassing.

HOOFDSTUK III. - De subsidiëring

Art. 1318.

§ 1. Afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten en overeenkomstig de bepalingen van het decreet en van dit besluit, kent [de secretaris-generaal]19aan de organisaties een subsidie-enveloppe toe voor infrastructuur, werkings- en personeelskosten. [De secretaris-generaal]20bepaalt jaarlijks de grootte van de subsidie-enveloppe, waarbij binnen de perken van de begrotingskredieten rekening wordt gehouden met:

1° de aard van de organisatie;

2° de subsidiabele personeelsformatie, bedoeld in artikel 9, § 3, 4° en de wijzigingen hierin;

3° de toepassing van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de Social-Profitsector nummer 2 en de eventuele opvolgers daarvan;

4° de harmonisatie met andere welzijnssectoren;

5° het verloop van de anciënniteit, tot een maximum van gemiddeld zestien jaar bij de regionale instituten en de instellingen, en tot een maximum van gemiddeld twintig jaar bij het Vlaams instituut.

§ 2. Bij de eerste bepaling van de subsidie-enveloppe kan [de secretaris-generaal]21overgangsmaatregelen treffen om de billijkheid te waarborgen.

Art. 1422.

§ 1. De subsidie-enveloppe moet door de regionale instituten en de instellingen voor minstens 75%, en door het Vlaams instituut voor minstens 70% aangewend worden voor personeelskosten.

§ 2. De salarisschalen voor de personeelsleden van de organisaties worden bepaald door de raad van bestuur in overeenstemming met de geldende collectieve arbeidsovereenkomsten voor de sector.

Art. 1523.

De subsidie-enveloppe wordt geïndexeerd op de wijze die bepaald is in de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen.

Art. 1624.

Als een organisatie haar subsidie-enveloppe in het jaar waarvoor die enveloppe wordt toegekend, niet volledig aanwendt voor infrastructuur, werkings- en personeelskosten, legt ze met het niet aangewende gedeelte reserves aan. Ze wendt die reserves aan om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van haar taken en om de wettelijk bepaalde provisie voor vakantiegeld aan te leggen.

Reserves die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie-enveloppe, worden ten belope van de som die de jaarlijkse subsidie-enveloppe overschrijdt, teruggestort aan de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 1725.

§ 1. De subsidie wordt aan het Vlaams instituut, het regionaal instituut of aan de instelling toegekend op voorwaarde dat:

1° aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in het decreet en in hoofdstuk II van dit besluit, wordt voldaan;

2° aan de administratie de nodige stukken worden bezorgd, waaruit blijkt dat aan 1° is voldaan.

§ 2. Het Vlaams instituut, het regionaal instituut of de instelling moet aan de volgende extra subsidiëringsvoorwaarden voldoen:

1° de subsidie besteden aan de infrastructuur, werkings- en personeelskosten van de organisatie, onverminderd artikel 16;

2° bij de uitbetaling van de personeelskosten de wettelijke verplichtingen als werkgever naleven.

Art. 1826.

§ 1. Het Vlaams instituut, de regionale instituten en de instellingen vragen elk jaar voor 1 november de subsidie-enveloppe voor het volgende jaar aan. Daartoe dienen ze bij de administratie een dossier in, dat minstens de volgende elementen bevat:

1° een jaarplan dat de doelstellingen en de te behalen resultaten voor het komende jaar weergeeft;

2° een overzicht van de personeelsleden met de taakverdeling en de tijdsbesteding;

3° een begroting met postgewijze toelichting;

4° wat het dossier voor het jaar 2005 en de volgende jaren betreft, een kwaliteitsplanning zoals bedoeld in het kwaliteitsdecreet, met voor elk gekozen project:

a) de doelstellingen en verantwoording;

b) de resultaten die het wil behalen;

c) het stappenplan met onder andere de middelen en het tijdstip;

d) de wijze van evaluatie van de resultaten.

§ 2. Het dossier wordt opgesteld aan de hand van het door de administratie uitgewerkte model.

Art. 1927.

§ 1. De administratie onderzoekt het dossier, bedoeld in artikel 18. Ze deelt binnen dertig dagen na de ontvangst van het dossier haar opmerkingen mee aan de organisatie in kwestie. De organisatie kan op die opmerkingen reageren tot uiterlijk dertig dagen na de ontvangst ervan.

§ 2. Als op basis van het dossier en de repliek er aanleiding toe bestaat om de subsidiabele personeelsformatie te verminderen of om de erkenning in te trekken, wordt het gemotiveerde voornemen van [de secretaris-generaal]28om daartoe over te gaan aan de organisatie betekend. Die betekening gebeurt door de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden worden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen.

Artikel 8 en 9, §1 en §2, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor het nemen van de definitieve beslissing tot vermindering van de subsidiabele personeelsformatie of tot intrekking van de erkenning.

§ 3. Als de definitieve beslissing van de minister [of de secretaris-generaal]29 niet binnen de termijn bedoeld in artikel 9, §1, tweede lid, of §2, eerste lid, aan de organisatie is betekend, blijft de organisatie erkend of blijft haar subsidiabele personeelsformatie behouden.

§ 4. Als een organisatie niet meewerkt aan het toezicht dat door de administratie wordt uitgeoefend, kan haar erkenning worden ingetrokken, nadat de administratie de organisatie met een aangetekende brief heeft aangemaand om zich binnen een termijn van maximaal zes maanden aan de regels voor het toezicht te conformeren.

De bepalingen van §2 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 2030.

Bij vastgestelde afwending van de toegekende subsidie kan de secretaris-generaal de subsidiëring stopzetten en tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen subsidies overgaan. Ook kan de secretaris-generaal de erkenning van de organisatie intrekken. In dat geval is artikel 19, §2, van overeenkomstige toepassing

Artikel 20 bis31.

§ 1. De middelen die in uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de Social Profitsector bestemd zijn voor de verbetering van het management in het maatschappelijk opbouwwerk, worden toegekend aan het Vlaams instituut ter bevordering en ondersteuning van het maatschappelijk opbouwwerk vzw VIBOSO, Vooruitgangstraat 323 te 1030 Brussel. Deze middelen bedragen:

- 4.055,95 euro (163.627 frank) voor het jaar 2001;

- 8.111,92 euro frank voor het jaar 2002;

- 11.061,72 euro voor het jaar 2003;

- 14.748,97 euro voor het jaar 2004 en volgende.

§ 2. Het Vlaams instituut zal deze middelen gebruiken voor de ondersteuning van de sector, in het bijzonder bij de invoering van de regelingen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de Social Profitsector.

§ 3. Deze middelen zullen hoofdzakelijk worden besteed aan lonen, en ze worden door het Vlaams instituut verantwoord in [zijn financieel verslag, zoals bedoeld in artikel 22]32.

Art. 2133.

Het Vlaams instituut, de regionale instituten en de instellingen ontvangen een voorschot van 90% van de subsidie-enveloppe voor het kalenderjaar. Dat voorschot wordt zo snel mogelijk uitbetaald na de goedkeuring van de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het jaar waarop de subsidie-enveloppe betrekking heeft.

Art. 2234.

§ 1. Uiterlijk tegen 30 april dienen het Vlaams instituut, de regionale instituten en de instellingen een financieel verslag over het voorgaande jaar in bij de administratie. Dat verslag wordt opgesteld aan de hand van het door de administratie uitgewerkte model en geviseerd door een accountantsverklaring.

Bij het financiële verslag over het jaar 2004 voegen de organisaties een inhoudelijk verslag volgens het model dat de minister bepaalt tegen 31 maart 2004. Voor het eerst bij het verslag over het jaar 2005 voegen de organisaties een inhoudelijk verslag volgens het model dat de minister vóór 1 januari 2005 bepaalt na overleg met de sector. Dat verslag bevat ook boordtabellen over de financiën en de projectwerking.

§ 2. Bij laattijdige indiening van het financiële verslag of het inhoudelijke verslag, inclusief de boordtabellen, wordt 5% van de toegekende subsidie-enveloppe niet uitbetaald

Art. 2335.

§ 1. De definitieve subsidie wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, na ontvangst van het financiële verslag, bedoeld in artikel 22, § 1.

§ 2. Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald voor 1 oktober van het daaropvolgende activiteitenjaar, na controle en goedkeuring door de administratie van het financiële verslag, bedoeld in artikel 22, § 1.

Bij de berekening van het saldo wordt rekening gehouden met de uitgekeerde voorschotten. Als het uitgekeerde voorschot hoger is dan het bedrag van de definitieve subsidie, wordt het verschil teruggevorderd of ingehouden op de subsidie-enveloppe voor een volgend jaar.

Art. 24.

Wijzigingen in de begroting of in het jaarprogramma dienen onmiddellijk schriftelijk te worden meegedeeld. Wanneer de planning van een project grondig wordt gewijzigd of het project wordt stopgezet, dient hiervan een verantwoording te worden verstrekt.

Art. 25.

De administratie oefent ter plaatse of op stukken toezicht uit op de werking en het beheer van de organisaties die een erkenning aanvragen of die erkend zijn. De organisaties verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Ze bezorgen aan de administratie, op haar eenvoudig verzoek, de stukken die met de erkenningsvraag of de erkenning zelf verband houden.

Art. 26.

§ 1. In geval de administratie ernstige en niet-meegedeelde afwijkingen vaststelt ten opzicht van de ingediende jaarprogramma's en projecten, hetzij op grond van een inspectie, hetzij op grond van een jaarverslag of andere vaststellingen, maakt zij een verslag op dat aan de betrokken organisatie wordt meegedeeld. De organisatie kan hierop repliceren tot uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het verslag.

§ 2. Indien op basis van het verslag en de repliek daartoe aanleiding bestaat, kan [de secretaris-generaal]36 beslissen om de erkenning in te trekken of om de subsidies terug te vorderen of te verminderen in evenredigheid met het niet-uitgevoerde deel van de planning.

§ 3. Indien er aanleiding bestaat om de erkenning in te trekken, wordt het gemotiveerde voornemen van [de secretaris-generaal]37om daartoe over te gaan aan de organisatie betekend. Die betekening gebeurt door [de secretaris-generaal]38of de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheden en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen, worden vermeld.

Artikel 8 en artikel 9, § 1 en § 2, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor het nemen van de definitieve beslissing tot vermindering van het subsidiabele personeelsbestand of tot intrekking van de erkenning.

Indien de definitieve beslissing van de minister [of de secretaris-generaal]39 niet binnen de termijn bedoeld in artikel 9, § 1 en § 2, eerste lid, aan de organisatie is betekend, blijft de organisatie erkend.

Art. 2740.

[…].

HOOFDSTUK IV. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

Art. 28.

Door de organisaties zullen alle stukken die betrekking hebbende op de uitvoering van de opdrachten, programma's en projecten, gedurende minstens tien jaar bewaard worden.

Art. 2941.

[…].

Art. 30.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 december 1993 en 16 maart 1994, wordt opgeheven.

Art. 3142.

[…].

Art. 32.

§ 1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2001.

§ 2. Uiterlijk tegen 1 juli 2002 dienen de organisaties een nieuw erkenningsdossier in volgens de bepalingen van dit besluit.

Art. 3343.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage I. 44

[…].

Bijlage II. 45

[…].

Bijlage III. 46

[…].


1 Gewijzigd bij:

B.Vl.Reg. 10.VII.2001(B.S.5.X.2001), opgeheven bij B.Vl.Reg.18.I.2002(B.S.23.III.2002),

B.Vl.Reg. 24.IX.2001(B.S. 16.II.2002), opgeheven bij B.Vl.Reg.18.I.2002(B.S.23.III.2002),

B.Vl.Reg. 18.I.2002(B.S.23.III.2002), inw.1.I.2001,

B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), inw.1.I.2004,

B.Vl.Reg. 31.III.2006(B.S.31.V.2006), inw. 1.IV.2006,

B.Vl.Reg. 24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), inw.1.VII.2006,

B.Vl.Reg. 4.VII.2008, (B.S.30.X.2008), inw.1.VII.2008.

2 Art.1, 2°,vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004 (B.S.23.III.2004), inw.1.I.2004, art.1.

3 Art.1,4°,vervangen bij B.Vl.Reg.31.III.2006(B.S.31.V.2006),art.22.

4 In artikel 1,5° werd de zin "Het meerjarenplan wordt voor 6 jaar opgemaakt;" vervangen door de zin "Het meerjarenplan wordt voor vijf jaar opgemaakt", bij B.Vl.Reg.4.VII.2008, (B.S.30.X.2008), art.1.;[ Bij wijze van overgangsmaatregel wordt het meerjarenplan dat begint in 2009, opgesteld voor een termijn van zeven jaar, te weten van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2015. Tegen 1 juli 2010 wordt het onderdeel 2011-2015 van het plan geactualiseerd en bijgestuurd, en ingediend bij de administratie. De geactualiseerde versie van het plan zal op dezelfde wijze behandeld en goedgekeurd worden als het oorspronkelijke plan ( zie B.Vl.Reg. 4.VII.2008, (B.S.30.X.2008), art.3].

5 Art.1,11°, toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XI.2006), art.7,1°.

6 In artikel 3 werden tussen de woorden "Om erkend te worden" en de woorden "moeten de organisaties voldoen aan de voorwaarden" de woorden "en te blijven" ingevoegd, bij B.Vl.Reg. 4.VII.2008, (B.S.30.X.2008), art.2.

7 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

8 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

9 In artikel 9, § 1 werden de woorden « na ontvangst van het advies van de adviserende beroepscommissie of, indien dat advies niet tijdig wordt bezorgd, na het verstrijken van de termijn voor advies » vervangen door de woorden « indien het advies van de beroepscommissie gelijkluidend is aan het met redenen omklede voornemen » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,3°.

10 In artikel 9,§ 1, werd tussen het eerste lid en het tweede lid, een lid toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,4°.

11 In artikel 9, § 1, laatste lid, § 4,en § 5, 10, 19, § 3, en 26, § 3,laatste lid worden na de woorden « de minister », de woorden « of de secretaris-generaal » toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,6°.

12 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

13 In artikel 9, § 1, laatste lid, § 4,en § 5, 10, 19, § 3, en 26, § 3,laatste lid worden na de woorden « de minister », de woorden « of de secretaris-generaal » toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,6°.

14 In artikel 9,§ 4, worden de woorden « tweede lid, » geschrapt bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,5°.

15 In artikel 9, § 1, laatste lid, § 4,en § 5, 10, 19, § 3, en 26, § 3,laatste lid worden na de woorden « de minister », de woorden « of de secretaris-generaal » toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,6°.

16 In artikel 9, § 1, laatste lid, § 4,en § 5, 10, 19, § 3, en 26, § 3,laatste lid worden na de woorden « de minister », de woorden « of de secretaris-generaal » toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,6°.

17 In artikel 11 worden de woorden " en de salarisschalen" geschrapt bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art.2.

18 Art.13, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.00. 00.2004),inw.1.I.2004, art.3.

19 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

20 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

21 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

22 Art.14, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.00. 00.2004),inw.1.I.2004, art.4.

23 Art.15, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23. III.2004),inw.1.I.2004, art.5.

24 Art.16, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23. III.2004),inw.1.I.2004, art.6.

25 Art.17, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art.7.

26 Art.18, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art.8.

27 Art.19, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art.9.

28 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

29 In artikel 9, § 1, laatste lid, § 4,en § 5, 10, 19, § 3, en 26, § 3,laatste lid worden na de woorden « de minister », de woorden « of de secretaris-generaal » toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,6°.

30 Art.20, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art.10.

31 Art. 20bis, ingevoegd bij bij B.Vl.Reg. 18.I.2002(B.S.23.III.2002),art.2.

32 In artikel 20 bis worden de woorden “zijn jaarverslag zoals bedoeld in artikel 15 en 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001” vervangen door de woorden “zijn financieel verslag, zoals bedoeld in artikel 22” bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art.11.

33 Art.21, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), art.12.

34 Art.22, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), art.13.

35 Art.23, vervangen bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), art.14.

36 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

37 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

38 In artikel 7, 9, § 1, eerste lid en § 2, 13, 19,§ 2, 20 en 26§ 2 en § 3, eerste en tweede lid worden de woorden « de minister » telkens vervangen door de woorden « de secretaris-generaal » bij B.Vl.Reg.24.XI.2006(B.S.29.XII.2006), art.7,2°.

39 In artikel 9, § 1, laatste lid, § 4,en § 5, 10, 19, § 3, en 26, § 3,laatste lid worden na de woorden « de minister », de woorden « of de secretaris-generaal » toegevoegd bij B.Vl.Reg.24.XI.2006 (B.S.29.XII.2006), art.7,6°.

40 Art.27, opgeheven bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), art.15.

41 Art.29, opgeheven bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), art.15.

42 Art.31, opgeheven bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), art.15.

43 De subsidies die aan de organisaties verleend zijn overeenkomstig de regels die van kracht waren voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven aan die regels onderworpen

[B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),art.17].

44 Bijlage I, vervangen bij B.Vl.Reg. 18.I.2002(B.S.23.III.2002),art.4 en opgeheven bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art. 16,1°.

45 Bijlage II, opgeheven bij B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004), art.16,2°.

46 Bijlage III,ingevoegd bij B.Vl.Reg. 18.I.2002(B.S.23.III.2002),art.5 en opgeheven bij . B.Vl.Reg. 20.II.2004(B.S.23.III.2004),inw.1.I.2004, art. 16,3°.

© Juriwel- 2009- Samenlevingsopbouw

 
opbouwwerk\rg\basis\bvr170700.htm