(B.S. 27.VIII.1991)1
Artikel. 1
Dit decreet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel
59bis van de Grondwet.
Art. 2
Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° de [Regering]2: de Vlaamse Regering;
2° […]3;
3° Maatschappelijk opbouwwerk: het op methodische en
intentionele wijze met en door de bevolking bevorderen van het
op het welzijn gerichte functioneren van de samenleving als
zodanig door het scheppen van omstandigheden, structuren en
relaties die bijdragen tot een grotere participatie aan en
integratie in het maatschappelijk gebeuren, als vorm van
bijstand aan personen in de zin van artikel 5, §1, II van
de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen;
4° achterstelling: De maatschappelijke processen waardoor
personen of bevolkingsgroepen door een opeenstapeling van
factoren onvoldoende kansen hebben op ontplooiing en
participatie aan het maatschappelijk leven of bedreigd worden
in hun welzijn. De achterstelling doet zich groepsmatig voor op
een voldoende verdichte en structurele wijze in een
territoriaal omschrijfbare eenheid;
5° Organisaties: instituten of instellingen die
maatschappelijk opbouwwerk als hoofddoel hebben. Onder
instituten worden verstaan, één Vlaams Instituut
ter bevordering en ondersteuning van het maatschappelijk
opbouwwerk en per provincie en per grootstedelijk gebied
één regionaal instituut voor maatschappelijk
opbouwwerk. Onder instellingen worden verstaan verenigingen die
hun activiteiten binnen een beperkt territorium verrichten en
zich in de regionale planning inschakelen.
Art. 3
§ 1. De Regering kan overgaan tot erkenning van
organisaties die in het kader van het maatschappelijk
opbouwwerk werkzaam zijn.
§ 2. Binnen de definities opgenomen in artikel 2, 3°,
4° en 5° bepaalt de Regering, […]4, aan welke voorwaarden de
organisaties en hun activiteiten moeten voldoen op voor
erkenning in aanmerking te komen. De Regering bepaalt alzo
onder meer wat onder grootstedelijk gebied moet worden verstaan
en de wijze waarop de regionale plannen tot stand moeten
komen.
§ 3. Om voor erkenning in aanmerking te komen dienen de
organisaties:
- opgericht te zijn als een vereniging zonder winstoogmerk,
overeenkomstig de wet van 27 juni 1921;
- geleid te worden door een bestuurslichaam dat aan de door de
Regering te bepalen voorwaarden voldoet;
- in hun werking en structuur open te staan voor de
verschillende maatschappelijke verbanden en groepen en dit
zonder onderscheid van politieke, filosofische of
levensbeschouwelijke aard;
- minstens sedert één jaar werkzaam te zijn in
het maatschappelijk opbouwwerk;
- de activiteiten en opdrachten uit te voeren overeenkomstig de
regels die door de Regering worden bepaald.
§45. De regering stelt de
erkenningsprocedure vast, evenals de procedure voor de
intrekking van een erkenning, wanneer de organisatie niet meer
aan de erkenningsvoorwaarden voldoet.
Art. 4
De Regering verleent aan de erkende organisaties subsidies voor
de uitvoering van hun opdrachten in het kader van het
maatschappelijk opbouwwerk binnen de beschikbare
begrotingskredieten.
Art. 5
§ 1. De subsidiëring aan organisaties werkzaam in het
kader van het maatschappelijk opbouwwerk bestaat uit een
subsidie voor personeelskosten, een jaarlijkse vaste
basistoelage en een toelage voor de werking.
§ 2. De Regering bepaalt aan welke voorwaarden de
personeelsleden moeten voldoen teneinde voor subsidiëring
in aanmerking te komen. Zij bepaalt […]6 tevens de omvang en de
samenstelling van de betoelaagbare personeelsformatie van de
organisaties werkzaam in het kader van het maatschappelijk
opbouwwerk.
§ 3. De Regering bepaalt wat moet worden verstaan onder
personeelskosten, basistoelage en werkingstoelage:
- met betrekking tot de personeelskosten houdt de Regering
rekening met de weddeschalen die voor gelijkaardige functies
binnen de diensten van de Vlaamse Regering of binnen het
onderwijs worden gehanteerd;
- met betrekking tot de basistoelage houdt de Regering rekening
met de vaste kosten die onder meer ingevolge de huisvesting
dienen te worden gemaakt;
- met betrekking tot de werkingstoelage houdt de Regering
rekening met het aantal betoelaagbare personeelsleden en hun
erkende activiteiten.
Art. 67
…
Art. 7
De Regering bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit
decreet8.
1
Gewijzigd bij:
Decr. 4.V.1994 (B.S. 23.VI.1994),
Decr. 15.VII.1997(B.S.17.IX.1997).
2 De woorden "Executieve", "Gemeenschapsexecutieve", "Gemeenschapsminister" en hun meervoudsvorm in dit decreet werden vervangen door de woorden "regering", "Gemeenschapsregering", "Vlaamse minister" of hun meervoudsvorm bij Decr. 4.V.1994 (B.S. 23.VI.1994), art. 3, c.
3 Art.2,2°, opgeheven bij Decr. 15.VII.1997(B.S.17.IX.1997), art. 21,1°, inw.27.I.1998,[zie B.Vl.Reg. 3.III.1998 (B.S.24.IV.1998), art.5,4°].
4 Art.3,§2, gewijzigd bij Decr. 15.VII.1997(B.S.17.IX.1997), art. 21,2°, a), inw. 27.I.1998, [zie B.Vl.Reg. 3.III.1998 (B.S.24.IV.1998), art.5,4°].
5 Art.3,§,4, ingevoegd bij Decr. 15.VII.1997(B.S.17.IX.1997), art. 21,2°, b), inw. 27.I.1998, [zie B.Vl.Reg. 3.III.1998 (B.S.24.IV.1998), art.5,4°].
6 Art.5,§2, gewijzigd bij Decr. 15.VII.1997(B.S.17.IX.1997), art. 21,3°, inw. 27.I.1998, [zie B.Vl.Reg. 3.III.1998 (B.S.24.IV.1998), art.5,4°].
7 Art.6, opgeheven bij Decr. 15.VII.1997(B.S.17.IX.1997), art. 21,4°, inw. 27.I.1998, [zie B.Vl.Reg. 3.III.1998 (B.S.24.IV.1998), art.5,4°].
8 Het decreet van 26 juni 1991 betreffende de erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk treedt in werking op 1 januari 1992, met uitzondering van artikel 6 van dit decreet dat op 26 juni 1991 in werking treedt." [B.Vl.Reg. 26.VI.1991, (B.S. 4.IX.1991), art. 1].
© Juriwel- 2008- Samenlevingsopbouw