Art. 1.
Deze verordening regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 166, § 3, 1°, van de gecoördineerde grondwet van 17 februari 1994.
Art. 2.
In deze verordening wordt bedoeld met:
a) initiatief voor maatschappelijke welzijnsbevordering: vorm van dienst- en/of hulpverlening aan personen of groepen van personen die bedreigd zijn in hun welzijn, georganiseerd met een permanent karakter of als specifieke projecten die erop gericht zijn algemene thema's of algemene problemen inzake welzijn in de aandacht te brengen of aan te pakken;
b) initiatiefnemer: vereniging of instelling;
c) het College: het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
d) de administratie: de administratie van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
Art. 3.
§ 1. Binnen de hierna volgende bepalingen van deze verordening en van de Collegebesluiten ter uitvoering ervan erkent het College initiatieven die het maatschappelijk welzijn bevorderen.
§ 2. Binnen de perken van de kredieten en onder de voorwaarden die bij deze verordening en de Collegebesluiten ter uitvoering ervan vastliggen, verleent het College subsidies aan de in § 1 van dit artikel bedoelde intitiatieven.
Art. 4.
Om als initiatief erkend te worden moet de initiatiefnemer:
a) als Nederlandstalig kunnen beschouwd worden;
b) zijn zetel en/of correspondentieadres in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben;
c) een werking ontwikkelen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
d) voldoen aan de voorwaarden bepaald in de uitvoeringsbesluiten van het College.
Art. 5.
§ 1. Een initiatief wordt erkend voor de algemene werking op het vlak van de maatschappelijke welzijnsbevordering indien de initiatiefnemer:
a) een vereniging zonder winstoogmerk is;
b) werkzaamheden ontwikkelt op het vlak van de bijstand aan personen;
c) een initiatief ontwikkelt met een permanent en continu karakter.
§ 2. Een initiatief wordt als project erkend indien de initiatiefnemer:
a) een vereniging zonder winstoogmerk of een feitelijke vereniging is;
b) werkzaamheden ontwikkelt die behoren tot de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
c) een bijzondere werking op het vlak van de maatschappelijke welzijnsbevordering ontwikkelt.
Art. 6.
Een initiatief dat erkend wordt voor de algemene werking op het vlak van de maatschappelijke welzijnsbevordering ontvangt:
a) een startsubsidie wanneer het een nieuwe werking betreft en dit in afwachting van een erkenning en subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;
b) een overbruggingssubsidie wanneer het een uitbreiding van de werking betreft en dit in afwachting van een erkenning en subsidiëring hiervan door de Vlaamse Gemeenschap;
c) een aanvullende subsidie bij deze van andere overheden om in de werking specifiek Brusselse klemtonen te leggen of specifiek Brusselse problemen aan te pakken;
d) een bijzondere subsidie om een specifieke werking te ontwikkelen die beantwoordt aan de Brusselse noden en niet door een andere overheid erkend en gesubsidieerd wordt.
Art. 7.
Een initiatief dat als project erkend wordt op het vlak van de maatschappelijke welzijnsbevordering ontvangt een projectsubsidie.
Art. 8.
Het College zal ter uitvoering van deze verordening de nodige besluiten nemen.
Art. 9.
Deze verordening treeds in werking op 1 januari 1995.