Juriwel is geen officiƫle bekendmaking in de zin van de Grondwet. Alleen de publicatie in het Belgisch Staatsblad heeft een officieel karakter.

Werken aan Juriwel is nooit af. Ook in de versie die we nu vrijgeven zitten onvolmaaktheden. Als u er een ontdekt, laat het ons weten: juriwel@wvg.vlaanderen.be


 

algemene bepalingen

 

> Overzicht regelgeving Gezondheidszorg > Adviesorganen

Vorige pagina

Besluit van de Vlaamse Regering van 28 januari 1997 tot uitvoering van het decreet van 20 december 1996 houdende oprichting van een Vlaamse Gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad voor erkenning van verzorgingsvoorzieningen(B.S.4.IV.1997)

HOOFDSTUK I -DEFINITIES

HOOFDSTUK II-DE RAAD

HOOFDSTUK III HET BUREAU

HOOFDSTUK IV-DE KAMERS

HOOFDSTUK V- DE WERKGROEPEN

HOOFDSTUK VI-WERKING VAN DE RAAD, SECRETARIAAT VAN DE RAAD EN RAPPORTERING

HOOFDSTUK VII- DE ADVIESRAAD

HOOFDSTUK VIII - PRESENTIEGELDEN EN VERGOEDINGEN

HOOFDSTUK IX - SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK I -DEFINITIES

Art. 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° het decreet: decreet van 20 december 1996 houdende oprichting van een Vlaamse Gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad voor erkenning van verzorgingsvoorzieningen;

2° de Vlaamse minister: Vlaamse minister bevoegd voor het gezondheidsbeleid;

3° de administratie: administratie Gezondheidszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;

4° het Gezondheidsbeleid: het geheel van de aangelegenheden bedoeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

5° Verzorgingsvoorziening: een organisatie die activiteiten uitoefent inzake zorgverstrekking, gezondheidsopvoeding of preventieve gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 5, § 1, I van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en die in dat kader door de Vlaamse Gemeenschap kan worden erkend;

6° de Raad: de Vlaamse Gezondheidsraad, bedoeld in artikel 3 van het decreet;

7° de Adviesraad: de Vlaamse Adviesraad voor erkenning van verzorgingsvoorzieningen, bedoeld in artikel 10 van het decreet;

8° de Kamer: Kamer voor preventieve zorg en Kamer voor curatieve zorg, bedoeld in artikel 8 van het decreet;

9° het Bureau: bureau van de Raad, bedoeld in artikel 7 van het decreet;

10° de Werkgroep: werkgroep, bedoeld in artikel 8, § 5, van het decreet.

HOOFDSTUK II-DE RAAD

AFDELING 1-SAMENSTELLING

Art. 2.

§ 1. De Raad is samengesteld uit een voorzitter, ten hoogste 35 leden benoemd door de Vlaamse minister en ten hoogste 6 door de Raad gecoöpteerde leden. Hun mandaat duurt vijf jaar en is tweemaal hernieuwbaar. Minstens één vijfde van de leden wordt om de vijf jaar vervangen. De Vlaamse minister benoemt de voorzitter van de Raad en twee ondervoorzitters die door de Raad onder zijn leden worden voorgedragen.

De Raad kan zelf met een tweederde meerderheid van stemmen de zes extra leden coöpteren, waarvan sprake in het vorige lid.

§ 2. De leden van de Raad zijn allen deskundig in gezondheidsaangelegenheden en zijn actief in instellingen, verzorgingsvoorzieningen, diensten of verenigingen binnen de gezondheidszorg.

Ten minste één derde van de leden wordt benoemd op basis van hun wetenschappelijke activiteiten in diverse betrokken disciplines. Ten hoogste twee derde van de leden is van hetzelfde geslacht. Bij benoeming is ten minste een derde van de Raad jonger dan 35 jaar.

Art. 3.

De Vlaamse minister kan, op verzoek van de betrokkene of ambtshalve een einde maken aan het mandaat van de voorzitter of van een lid van de Raad.

Ambtshalve kan aan een mandaat slechts een einde worden gemaakt:

1° wanneer de betrokkene drie maal na elkaar zonder kennisgeving afwezig is;

2° wanneer de betrokkene vijf maal na elkaar afwezig is;

3° wanneer de betrokkene het vertrouwelijk karakter van de beraadslagingen van de Raad niet eerbiedigt of vertrouwelijke documenten verspreidt;

4° wanneer de betrokkene activiteiten verricht of functies vervult die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.

Art. 4.

Elk lid van de Raad dat wordt benoemd in de plaats van een overleden lid of van een lid wiens mandaat voortijdig is beëindigd, zet diens mandaat voort tot het einde van de aanvankelijk voorziene termijn.

AFDELING 2 SAMENROEPING

Art. 5. De Raad komt minstens éénmaal per jaar samen in plenaire zitting.

Art. 6. De Raad wordt samengeroepen telkens als de Vlaamse minister of het Bureau het nodig achten of indien hierom verzocht wordt door ten minste één derde van de leden van de Raad.

AFDELING 3-PROCEDURE

Art. 7.

De voorzitter van de Raad en de leden van de Raad zijn stemgerechtigd. De Raad kan slechts geldig beraadslagen indien ten minste de helft van de leden aanwezig zijn. Is die meerderheid niet aanwezig, dan kan de Raad dezelfde dag, mits inachtname van een tijdsperiode van drie uur, op geldige wijze over dezelfde agendapunten als de eerste vergadering beraadslagen, ongeacht het aantal aanwezige leden.

Alleen indien over bepaalde agendapunten geen overeenstemming wordt bereikt, wordt beslist met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Onthoudingen worden, bij de stemming, niet in aanmerking genomen voor het bereiken van de vereiste meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Art. 8.

De voorzitter van de Raad zit de Raad voor. Bij diens afwezigheid nemen de ondervoorzitters van de Raad elk om beurt het voorzitterschap waar van de vergaderingen, te beginnen met de oudste. Indien de ondervoorzitters zelf beiden afwezig zijn, wordt het voorzitterschap van de vergaderingen waargenomen door het lid met de hoogste leeftijd.

Art. 9.

De vergaderingen van de Raad zijn niet openbaar. De beraadslagingen van de Raad zijn vertrouwelijk.

HOOFDSTUK III HET BUREAU

AFDELING 1 SAMENSTELLING

Art. 10.

Het Bureau bestaat uit de voorzitter en de ondervoorzitters van de Raad en uit vier leden van de Raad, die op voordracht van de Raad door de Vlaamse minister worden benoemd.

Art. 11.

De Vlaamse minister kan, op verzoek van de betrokkene of ambtshalve, een einde maken aan het mandaat van een lid van het Bureau.

Ambtshalve kan aan een mandaat slechts een einde worden gemaakt:

1° wanneer de betrokkene drie maal na elkaar zonder kennisgeving afwezig is;

2° wanneer de betrokkene vijf maal na elkaar afwezig is;

3° wanneer de betrokkene het vertrouwelijk karakter van de beraadslagingen van het Bureau niet eerbiedigt of vertrouwelijke documenten verspreidt;

4° wanneer de betrokkene activiteiten verricht of functies vervult die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.

Art. 12.

Elk lid van het Bureau dat wordt benoemd in de plaats van een overleden lid of van een lid wiens mandaat voortijdig is beëindigd, zet diens mandaat voort tot het einde van de aanvankelijk voorziene termijn.

AFDELING 2 SAMENROEPING EN TAKEN

Art. 13.

Het Bureau wordt samengeroepen telkens als de voorzitter van de Raad het nodig acht of indien hierom verzocht wordt door ten minste drie leden van het Bureau.

Art. 14.

Het Bureau heeft als opdracht de werkzaamheden van de Raad te organiseren, te coördineren en voor te bereiden, alsook de beslissingen van de Raad uit te voeren.

Het bureau stelt de agenda voor de vergaderingen samen en voegt een eindadvies toe aan de door zijn organen uitgebrachte adviezen en dit ter bewaking van de coherentie van alle beleidsadviezen.

Art. 15.

In uiterst spoedeisende gevallen kan het Bureau zelf de adviesaanvraag van de Vlaamse minister behandelen en een advies verlenen. Op de eerstvolgende vergadering van de Kamers wordt dit advies ter bekrachtiging voorgelegd.

Art. 16.

Bij adviesaanvragen van de Vlaamse minister verleent de Raad zijn advies binnen drie maanden nadat hij van de adviesaanvraag kennis heeft gekregen, tenzij de minister een andere termijn heeft bepaald. Het Bureau kan aan de Vlaamse minister verzoeken om de termijn van adviesverlening te verlengen.

De adviezen, vermeld in het eerste lid worden bezorgd aan het Bureau. Het Bureau voegt aan de adviezen zijn eindadvies toe. Binnen 14 dagen na het uitbrengen van dit eindadvies, wordt het advies van de Raad, samen met het eindadvies van het Bureau, naar de Vlaamse minister gestuurd en ter kennisgeving aan het Vlaams Parlement overgemaakt.

Art. 17.

Het Bureau kan op eigen initiatief adviezen vragen aan de Raad, aan één van de Kamers of aan een Werkgroep.

De adviezen, vermeld in het eerste lid worden bezorgd aan het Bureau. Het Bureau voegt aan de adviezen zijn eindadvies toe. Binnen 14 dagen na het uitbrengen van dit eindadvies, wordt het advies, samen met het eindadvies van het Bureau, naar de Vlaamse minister gestuurd en ter kennisgeving aan het Vlaams Parlement overgemaakt.

AFDELING 3-PROCEDURE

Art. 18.

Alle leden van het Bureau zijn stemgerechtigd. Het Bureau kan slechts beraadslagen indien ten minste de helft van de leden aanwezig is. Is die meerderheid niet aanwezig, dan kan het Bureau dezelfde dag, mits inachtname van een tijdsperiode van drie uur, op geldige wijze over dezelfde agendapunten als de eerste vergadering beraadslagen, ongeacht het aantal aanwezige leden.

Alleen indien over bepaalde agendapunten geen overeenstemming wordt bereikt, wordt beslist met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Onthoudingen worden, bij de stemming, niet in aanmerking genomen voor het bereiken van de vereiste meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Art. 19.

De voorzitter van de Raad zit het Bureau voor. Bij diens afwezigheid nemen de ondervoorzitters van de Raad elk om beurt het voorzitterschap waar van de vergaderingen, te beginnen met de oudste.

Indien de ondervoorzitters zelf beiden afwezig zijn, wordt het voorzitterschap van de vergaderingen waargenomen door het lid met de hoogste leeftijd.

Art. 20.

De vergaderingen van het Bureau zijn niet openbaar. De beraadslagingen van het Bureau zijn vertrouwelijk.

HOOFDSTUK IV-DE KAMERS

AFDELING 1-SAMENSTELLING

Art. 21.

De Kamers zijn elk samengesteld uit ten hoogste eenentwintig leden van de Raad, gecoöpteerde leden inbegrepen. Zij worden op voordracht van de Raad door de Vlaamse minister benoemd.

Art. 22.

De Vlaamse minister kan, op verzoek van de betrokkene of ambtshalve een einde maken aan het mandaat van de voorzitters of van een lid van de Kamers.

Ambtshalve kan aan een mandaat slechts een einde worden gemaakt:

1° wanneer de betrokkene drie maal na elkaar zonder kennisgeving afwezig is;

2° wanneer de betrokkene vijf maal na elkaar afwezig is;

3° wanneer de betrokkene het vertrouwelijk karakter van de beraadslagingen van de Kamer niet eerbiedigt of vertrouwelijke documenten verspreidt;

4° wanneer de betrokkene activiteiten verricht of functies vervult die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.

Art. 23.

Elk lid van de Kamer dat wordt benoemd in de plaats van een overleden lid of van een lid wiens mandaat voortijdig is beëindigd, zet diens mandaat voort tot het einde van de aanvankelijk voorziene termijn.

AFDELING 2 TAKEN

Art. 24.

De Kamer voor preventieve zorg is bevoegd voor de opdrachten van de Raad die betrekking hebben op de aangelegenheden bedoeld in artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

De Kamer voor curatieve zorg is bevoegd voor de opdrachten van de Raad die betrekking hebben op de aangelegenheden bedoeld in artikel 5, § 1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

HOOFDSTUK V- DE WERKGROEPEN

AFDELING 1 SAMENSTELLING

Art. 25.

§ 1. De Vlaamse minister, de Raad en het Bureau kunnen vaste of tijdelijke Werkgroepen oprichten en samenstellen.

Deze Werkgroepen bestaan uit maximum twaalf leden van wie één derde afkomstig is uit de Raad en van wie de overige leden externe deskundigen zijn.

§ 2. De Vlaamse minister kan, op verzoek van de betrokkene of ambtshalve een einde maken aan het mandaat van lid van een Werkgroep.

Ambtshalve kan aan een mandaat slechts een einde worden gemaakt:

1° wanneer de betrokkene drie maal na elkaar zonder kennisgeving afwezig is;

2° wanneer de betrokkene vijf maal na elkaar afwezig is;

3° wanneer de betrokkene het vertrouwelijk karakter van de beraadslagingen van de Werkgroep niet eerbiedigt of vertrouwelijke documenten verspreidt;

4° wanneer de betrokkene activiteiten verricht of functies vervult die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.

§ 3. Elk lid van de Werkgroep dat wordt benoemd in de plaats van een overleden lid of van een lid wiens mandaat voortijdig is beëindigd, zet diens mandaat voort tot het einde van de aanvankelijk voorziene termijn.

AFDELING 2-TAKEN

Art. 26.

De vaste of tijdelijke Werkgroepen kunnen een taak hebben om sectoraal te adviseren of ad hoc voor thema's die kameroverschrijdend zijn.

HOOFDSTUK VI-WERKING VAN DE RAAD, SECRETARIAAT VAN DE RAAD EN RAPPORTERING

Art. 27.

De Administratie neemt het secretariaat waar van de Raad. De Administratie verstrekt aan de Raad de inlichtingen die voor zijn werking noodzakelijk zijn.

Om de twee maanden bezorgt de Administratie aan de Raad een lijst van de aanvragen en beslissingen in verband met vergunningen, toelatingen en erkenningen van verzorgingsvoorzieningen. Die lijst wordt door de Administratie eveneens ter beschikking gesteld aan alle gelijksoortige verzorgingsvoorzieningen.

Voor het vervullen van zijn opdracht ontvangt de Raad alle nodige beleidsinformatie in verband met de planning, de programmatie en erkenning van verzorgingsvoorzieningen.

Ambtenaren van de Administratie kunnen als waarnemer deelnemen aan de vergaderingen van de organen van de Raad. Een vertegenwoordiger van de Vlaamse minister kan met raadgevende stem deelnemen aan de vergaderingen van de Raad en van de Kamers.

De Raad oriënteert en stimuleert de werking van zijn organen en stelt een jaarverslag op dat vóór 1 april aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement wordt voorgelegd.

De Raad staat in voor een regelmatig gestructureerd overleg tussen beide Kamers.

HOOFDSTUK VII- DE ADVIESRAAD

AFDELING 1 SAMENSTELLING

Art. 28.

De Adviesraad is samengesteld uit een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, die minstens vijf jaar ervaring hebben in de gezondheidssector en getuigen van juridische kennis en bekwaamheid, en uit ten hoogste zeven leden, allen deskundig in gezondheidsaangelegenheden en die actief zijn in de instellingen, verzorgingsvoorzieningen, diensten of verenigingen binnen de gezondheidszorg. Voor elk werkend lid wordt een plaatsvervanger benoemd.

Zij worden door de Vlaamse minister benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is. Minstens een derde van leden wordt om de tien jaar vervangen. Ten hoogste tweederde van de leden is van hetzelfde geslacht. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter zijn van verschillend geslacht.

Art. 29.

De Vlaams minister kan, op verzoek van de betrokkene of ambtshalve een einde maken aan het mandaat van de voorzitter, van de plaatsvervangend voorzitter, van een werkend lid of van een plaatsvervangend lid.

Ambtshalve kan aan een mandaat slechts een einde worden gemaakt:

1° wanneer de betrokkene drie maal na elkaar zonder kennisgeving afwezig is;

2° wanneer de betrokkene vijf maal na elkaar afwezig is;

3° wanneer de betrokkene het vertrouwelijk karakter van de beraadslagingen van de Adviesraad niet eerbiedigt of vertrouwelijke documenten verspreidt;

4° wanneer de betrokkene activiteiten verricht of functies vervult die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.

Art. 30.

Elk lid van de Adviesraad dat wordt benoemd in de plaats van een overleden lid of van een lid wiens mandaat voortijdig is beëindigd, zet diens mandaat voort tot het einde van de aanvankelijk voorziene termijn. Het plaatsvervangend lid vervult het mandaat van een werkend lid wiens mandaat voortijdig is beëindigd tot er een nieuw werkend lid benoemd is.

AFDELING 2 TAKEN

Art. 31.

De Adviesraad heeft als uitdrukkelijke opdracht de Vlaamse minister telkens te adviseren met betrekking tot bezwaar- of verweermiddelen ingediend door een verzorgingsvoorziening tegen het door de Vlaamse minister geuite voornemen om:

1° een vergunning of toelating te weigeren;

2° een erkenning, verlenging of wijziging van erkenning te weigeren;

3° een erkenning in te trekken of te schorsen;

4° een voorziening of een deel ervan te sluiten.

De Adviesraad heeft tevens als uitdrukkelijke opdracht de Vlaamse minister telkens te adviseren met betrekking tot bezwaar- of verweermiddelen ingediend door de betrokken aanvragende personen tegen het door de Vlaamse minister geuite voornemen om een erkenning of verlenging van erkenning te weigeren of de erkenning in te trekken voor keuringsartsen, toezichthoudende artsen en controle-artsen in de sector Medisch Verantwoord Sporten.

AFDELING 3PROCEDURE

Art. 32.

De Adviesraad brengt zijn gemotiveerd advies uit aan de Vlaamse minister uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van de bezwaar- of verweermiddelen bedoeld in artikel 10, § 2 en § 3, van het decreet. In uitzonderlijke omstandigheden kan hij met een gemotiveerde beslissing die termijn met ten hoogste één maand verlengen.

De Adviesraad hoort de verzorgingsvoorziening of de betrokken aanvragende persoon bedoeld in artikel 31, tweede lid, indien ze daarom hebben verzocht of op eigen initiatief. In dit geval wordt de verzorgingsvoorziening of de betrokken aanvragende persoon bedoeld in artikel 31, uitgenodigd op de zitting van de Adviesraad. De uitnodiging wordt aangetekend verstuurd uiterlijk de achtste dag voor de zitting.

De Administratie kan gehoord worden op elke vergadering van de Adviesraad.

Het gemotiveerd advies van de Adviesraad wordt binnen 15 dagen na het uitbrengen ervan per aangetekend schrijven betekend aan de verzorgingsvoorziening of aan de betrokken aanvragende persoon bedoeld in artikel 31, en eveneens binnen deze termijn ter kennis gebracht van de Vlaamse minister.

Art. 33.

De voorzitter en de werkende leden van de Adviesraad worden bij gewone brief uitgenodigd voor de zitting. Deze brief wordt verstuurd uiterlijk de achtste dag voor de zitting. Bij de brief wordt een synthese gevoegd van de dossiers die behandeld worden op de zitting. De volledige dossiers liggen ter inzage op het secretariaat van de Adviesraad.

Indien de voorzitter of een werkend lid niet op de vergadering aanwezig kan zijn, roept hij op eigen initiatief zijn plaatsvervanger op, die hem op de vergadering zal vervangen.

Art. 34.

Enkel de voorzitter van de Adviesraad en de werkende leden, of bij verhindering hun plaatsvervangers, zijn stemgerechtigd. De Adviesraad kan slechts geldig beraadslagen indien ten minste vijf leden aanwezig zijn. Is die meerderheid niet aanwezig, dan kan de Adviesraad dezelfde dag, mits inachtname van een tijdsperiode van drie uur, op geldige wijze over dezelfde agendapunten als de eerste vergadering beraadslagen, ongeacht het aantal aanwezige leden.

Alleen indien over bepaalde agendapunten geen overeenstemming wordt bereikt, wordt beslist met gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Onthoudingen worden, bij de stemming, niet in aanmerking genomen voor het bereiken van de vereiste meerderheid. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Art. 35.

De vergaderingen van de Adviesraad zijn niet openbaar. De beraadslagingen van de Adviesraad zijn vertrouwelijk.

AFDELING 4 WERKING VAN DE ADVIESRAAD, SECRETARIAAT VAN DE ADVIESRAAD EN RAPPORTERING

Art. 36.

De Administratie neemt het secretariaat van de Adviesraad waar. De Administratie verstrekt aan de Adviesraad de inlichtingen die voor zijn werking noodzakelijk zijn.

De Adviesraad kan een beroep doen op deskundigen uit het ministerie van de Vlaams Gemeenschap.

Elk advies van de Adviesraad wordt aan het Vlaams Parlement bezorgd.

HOOFDSTUK VIII - PRESENTIEGELDEN EN VERGOEDINGEN

Art. 37. (niet opgenomen)

(Wijzigt de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen)

HOOFDSTUK IX - SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1 WIJZIGINGSBEPALINGEN

Art. 38. (niet opgenomen)

(Wijzigt het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 1991 houdende uitvoering van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening)

AFDELING 2 OPHEFFINGSBEPALINGEN

Art. 39. (niet opgenomen)

(Worden opgeheven:

1° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 1983 houdende oprichting van een Vlaamse adviescommissie voor kankerpreventie;

2° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 1983 houdende oprichting en werking van een Gemengde Commissie rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen;

3° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende oprichting van de Vlaamse adviescommissie voor de perinatale zorg;

4° hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1990 houdende coördinatie en ondersteuning van de thuisverzorging, bestaande uit artikel 13;

5° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 1991 houdende vaststelling van de bevoegdheden en de adviesprocedure van het Vlaams Comité van Advies van de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg in aangelegenheden betreffende initiatieven van beschut wonen en samenwerkingsverbanden van psychiatrische instellingen en diensten;

6° hoofdstuk I van titel II van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 1991 houdende uitvoering van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening)

AFDELING 3 INWERKINGTREDING EN UITVOERING

Art. 40.

Het decreet van 20 december 1996 houdende oprichting van een Vlaamse gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad voor erkenning van verzorgingsvoorzieningen heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.

Art. 41.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997, met uitzondering van artikel 39, 4°, dat in werking treedt op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum.

Art. 42.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Vorige paginaTop van pagina


 
algemeen\regelgeving\raden\bvr280197.htm